Pagina 7 - untitled

Basis HTML versie

7
jagers onderscheid konden zien tussen wilde en
tamme eenden, wat alleen gold als ze uit de lucht
werden geschoten. Gevoeglijk mag aangenomen
worden dat er wel eens een ‘verkeerde eend’ werd
geraakt. Overigens, de Noord-Hollandse witbor-
steend kan vliegen, maar maakt daar nauwelijks
gebruik van. De overtollige en uitgeselecteerde
goede dieren, die niet door de fokker werden aan-
gehouden, vonden hun weg naar nieuwe eenden-
houders. Voor zover dat niet in een eerder stadium
was gebeurd, werden de jonge dieren die werden
aangehouden meteen van een merkteken voorzien.
De kruisingsproducten en dieren die niet voldeden
aan het aantal witte vleugelpennen en de overtollige
woerden, vonden hun weg naar de markt, waar ze
werden gekocht door poeliers en opkopers. Enge-
land was een grote afnemer.
Raszuiverheid en productie werd
van groot belang geacht
De raszuiverheid werd dus scherp in het oog gehou-
den. De eendenhouders die zich hadden verenigd,
werden bijgestaan door een landbouwconsulent, in
de persoon van Asperen Vervenne. Om de raszui-
verheid en uniformiteit vast te leggen, werd er op
24 oktober 1922 in Purmerend een bijeenkomst
belegd van eendenhouders. Ieder had een aantal
dieren meegebracht aan de hand waarvan een stan-
daardbeschrijving werd opgesteld. Dit bleek nodig
te zijn, omdat er verschillende opvatting waren
ontstaan. Asperen Vervenne maakte aantekeningen
en nadat de ontwerpstandaard ter beoordeling was
verspreid en de algehele instemming kreeg, is deze
standaard als zodanig vastgesteld. Ook de produc-
tie werd nauw in de gaten gehouden. Meerdere
bedrijven pasten daarvoor valnestcontrole toe.
Hiervoor waren de eenden van duidelijk afleesbare
vleugelmerken voorzien.
Als bedrijfseend afgeschreven
Voor, tijdens en na de tweede wereldoorlog kwam
in menig dorp van waterrijke gebieden, op kleine
schaal het houden van eenden voor. Kleine koppels
weliswaar, die voor de eigenaar een kleine aanvul-
ling op het karige inkomen betekende. De eieren
vonden als regel de weg naar de plaatselijke bakker.
De overtollige eieren werden met de beurtschip-
per, of later de vrachtrijder naar de eierveilingen
gebracht. Nadat in 1947 en 1948 door de overheid
strenge eisen werden gesteld aan de kwaliteit van
eendeneieren gaf dit de nekslag voor deze eenden-
houderij. De eieren moesten van een stempel wor-
den voorzien met tekst dat ze minimaal 10 minuten
gekookt moesten worden, omdat er anders gevaar
voor paratyfus bestond. Hierdoor kwam eigenlijk
ook het einde van veel productierassen in zicht.
Het ras bijna van de aardbodem ver-
dwenen
In het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw,
werden slechts door enkele inzenders de Noord-
Hollandse witborsteenden geshowd. Onder hen
waren er, die zich niet konden vinden in de wijze
waarop de dieren werden beoordeeld. Blijkbaar
als gemis aan voldoende kennis werden Noord-
Hollandse krombekeenden in dezelfde klasse als
de witborsteenden ingedeeld, of de ambterende
keurmeester wist zich er geen raad mee, hoe de
dieren moesten zijn. Tijdens een televisie-uit-
zending in 1997 kwam uit onverwachte hoek de
Noord-Hollandse witborsteend op het scherm.
Simon Bark uit het Noord-Hollandse Jisp vertelde
met verve over zijn eenden. Bark, geen georgani-
seerde fokker, hield deze eenden al heel lang en ze
werden op de wijze gehouden als weleer. Weldra
stond menigeen op de stoep om wat dieren te aan
te schaffen. Hieronder waren mensen, die zich niet
alleen het lot van het ras aantrokken, maar ook
een kans zagen om het ras te behouden. De enke-
ling die het ras al fokte, zag het als een welkome
aanvulling de eigen dieren, om ermee te kruisen.
Inmiddels was als gevolg van het kleine aantal fok-
kers een nauwe bloedverwantschap bij de dieren
ontstaan. Mede door de aandacht van de media
ontstond er een groep die zich met het fokken van
de Noord-Hollandse witborsteenden bezig wilde
gaan houden. De Gedomesticeerde Watervogel
Vereniging stelde alles in het werk deze activiteit
te ondersteunen, maar een aantal mensen zochten
toch hun eigen weg. Uitwisselen van fokdieren,
om een zo breed mogelijke basis te krijgen, speelde
daarbij een belangrijke rol. Toen om de hoek kwam
kijken dat de standaardeisen nagestreefd moesten
worden, heeft dit er mogelijk toe geleid dat een
aantal liefhebbers, -die het daar niet zo nauw mee
namen-, het ras voor gezien hielden.
Er zijn nog enkele fokkers
Gelukkig hebben een paar serieuze fokkers, die zich
gesteund wisten door ter zake kundige keurmees-
ters, het ras op een behoorlijk hoog peil weten te
handhaven. Het grootste probleem ligt in de juiste
snavelkleur, het gewenste aantal witte vleugelpen-
nen en de grootte en aftekening van de witte borst-
vlek. De standaard is hierin duidelijk. Wat betreft
het aantal witte vleugelpennen is afgesproken dat
enige soepelheid in het beoordelen moet worden
betracht. Hoewel een gelijk aantal witte pennen in
beide vleugels de voorkeur heeft, behoeft het niet
bestraft te worden, als hiervan iets wordt afgewe-
ken. Een witte pen meer of minder mag nooit tot
terugzetting leiden. Anders is het, als tussen de
witte een donkergekleurde pen voorkomt. In alle
gevallen dient de beoordeling sturend te zijn, wil
de fokker niet zelf de knuppel in het hoenderhok
gooien, met als gevolg, te stoppen met dit oude
eendenras. Niets is eenvoudiger dan fouten zoeken
aan dieren met een tekeningpatroon! Wel valt op
dat er bij de beoordeling op shows nogal eens te
soepel wordt omgegaan met de juiste kleur van de
snavel. Deze moet bij de woerd blauwgrijs en bij
de eend donkergrijs tot zwart zijn. De snavelkleur
bij de eenden wijkt daar nogal eens van af, zonder
dat daarover opmerkingen bij de keuring worden
gemaakt. Dit dient in het predikaat tot uitdrukking
te worden gebracht, wil dit niet tot het vastleggen
van een wezenlijke fout bij het ras leiden!
Om een indruk op te doen hoe en waarom fok-
kers dit ras een warm hart toedragen zijn in de
Zaanstreek, de bakermat van de Noord-Hollandse
witborsteenden, een drietal fokkers opgezocht
die dit ras houden. Een bezoek aan hen geeft het
volgende verhaal. Hiermee wordt niet aangegeven
dat er buiten de provincie Noord-Holland geen
belangstelling of fokkers van dit ras zouden zijn,
integendeel! Zo dragen onder meer Jan Vogel en
Ane Visser uit Barneveld hun steentje bij aan het
behoud van dit toch wel bijzondere ras.
Als eerste een praatje met Reijer Meijsen uit Oost-
zaan. Zijn ‘bedoening’ (terrein) is niet bijzonder
groot. Hij houdt er meerdere diergroepen op na.
Naast de Noord-Hollandse witborsteenden een
fokker van formaat van Smaragd eenden, Welsu-
mer- en Australorp krielen en Vlaamse reuzen. Het
leuke is dat hij doet, alsof hij er geen verstand van
heeft, maar als er een blik in de verschillende cata-
logi wordt geworpen, geeft hij toch toe dat het wel
meevalt. Voor de eenden wordt over een vrij smalle
Op de voorgrond een paar oude melkbussen, die
als legnest dienst doen.
Ook bij Van der Laan zwemmen de eenden in
een afgezet stuk van de zeer brede sloot.
Reijer Meijsen, altijd goed gemutst met de juiste
fokkersmentaliteit.