Pagina 61 - untitled

Basis HTML versie

61
Voeding
Het voer is geen probleem. Met het voer wat men ook voor andere siervogels
gebruik, zoals bijvoorbeeld fazanten, zijn ze tevreden. Natuurlijk mag daar
groenvoer niet aan ontbreken.
In hun oorspronkelijk leefgebied komen ze veel in grote groepen voor, tot
wel 100 stuks. In volièremilieu kan men ook een haan met meerdere hennen
houden, maar voor de fok is het beter om ze één op één te plaatsen, omdat de
haan meestal de voorkeur heeft voor één hen en deze alleen bevrucht.
Kuikens en opfok
De eieren worden in een
kuiltje op de grond ge-
legd. Indien de volière
voldoende groot is en van
de nodige beplanting is
voorzien, wil de hen zelf
wel eens overgaan tot
broeden. Het legsel vari-
eert van 9 tot 15 eieren,
deze worden in 23 dagen
uitgebroed. De hennen
leggen pas het tweede
of derde jaar. De haan
bekommert zich niet om
de kuikens. Uitbroeden met de broedmachine gebeurt echter het meeste, met
daarna een opfok onder een warmtebron.
De opfok is niet moeilijker dan van andere siervogels. Met opfokvoer wat men
voor andere siervogels gebruikt, zijn ze goed groot te krijgen. Voor de ziekten
die men bij andere siervogels ook aantreft, zoals coccidiose, blackhead en wor-
men moet men de gebruikelijke voorzieningen treffen. Wel zijn de jonge dieren
erg stressgevoelig, wat soms tot kromme tenen kan leiden. Doordat vroeger
van deze soorten meer dieren zijn geïmporteerd als van het Gierparelhoen,
komt hier ook minder inteelt voor en fokt het wat gemakkelijker.
Tot slot
Voor iemand die wat ervaring heeft met siervogels, over de nodige ruimte
beschikt en de dieren een goed nachthok kan bieden, kunnen deze dieren
zeker een mooie aanvulling op een collectie zijn. De aanschaf zal wel wat meer
kosten dan van de helmparelhoenders, maar dat houdt tevens in dat de afzet
van jongen ook wat gemakkelijker is.
Een koppel jonge vogels met een veel
voorkomende fout, een kromme teen.
de dieren daardoor van elkaar onderscheiden. Maar als het jonge dieren betreft,
zal men door DNA onderzoek het geslacht moeten vaststellen.
Uiterlijk
Het kuifparelhoen Guttera plumifera vindt zijn oorsprong in Kameroen en
onderscheidt zich van de pucherani, doordat de kuifveren niet gekruld zijn,
ze staan veel meer rechtop en zijn haarachtig. Daarom worden ze ook wel
penseelparelhoen of borstelparelhoen genoemd. De kop en hals zijn naakt
en blauwgrijs gekleurd. Aan de snavelbasis bevinden zich aan beide zijden
een soort blauwe kaaklellen, die in een punt eindigen. De grondkleur van het
gevederte is zwartgrijs met lichtblauwe parels. De buitenvanen van de kleine
slagpennen zijn roomwit. Er is hiervan nog een ondersoort bekend, waarbij
de hals oranjegeel is gekleurd.
Vorstgevoelig
Kuifparelhoenders worden al zeer lang in dierentuinen gehouden. De eerste
zijn reeds in 1858 in de dierentuin van Berlijn ingevoerd. Rond het begin van
de vorige eeuw kwamen ze in bezit van meerdere dierentuinen in Europa. Doch
pas in de tachtiger jaren van de vorige eeuw kwamen ze regelmatig voor in
particuliere collecties. In een ruime goed beplante volière zijn ze niet moeilijk te
houden. Heel belangrijk is dat de dieren een nachthok hebben, dat in de winter
verwarmd kan worden, want ze zijn niet tegen strenge vorst bestand. Vooral
de tenen zijn erg gevoelig. Daarom is het verstandig de zitstokken voldoende
breed te maken zodat het dier de tenen er niet omheen kan krullen, zodat, als
ze gaan zitten, de tenen geheel met de veren bedekt zijn.
Rugzijde, ook deze is voorzien van
pareltekening, let op de afgeronde staartvorm.
Een prachtige oude vogel.
Een fraaie volwassen vogel.
Enkele weken oude kuikens.