Pagina 6 - untitled

Basis HTML versie

6
als het jonge gewas op de tuinderijen opkwam, of
was aangeplant, moest ook dat het soms ontgelden.
Menige boer of tuinder wist bij het verjagen van
de eenden van zijn land, wel eens een lekkere bout
te verschalken. Onenigheid tussen beide partijen,
-tot ruzie aan toe-, was vaak het gevolg. Dit ritueel
herhaalde zich jaar op jaar……
De historie geeft verder aan dat onder meer in Oost
Knollendam fokbedrijven van Noord-Hollandse
witborsteenden waren gevestigd. Een van de grote
namen uit die tijd was L. Ouweltjes. In de vakbla-
den, uit het begin der 20er jaren van de vorige eeuw,
werd hier regelmatig aandacht aan geschonken. De
bij de artikelen afgedrukte foto’s van deze eenden
kunnen qua kwaliteit niet wedijveren met die van
heden ten dagen, maar geeft wel een indruk van de
huisvesting en van de dieren. Op de fokkerij werden
de eenden in afgeschermde ruimten gehouden. Als
de foto van de foktoom wat nader wordt bekeken,
valt op dat de witte borstvlek bij alle dieren groot
is. Veelal loopt deze door tot onder de snavelaan-
zet. Bij een aantal is duidelijk te zien dat er witte
spiegelzomen aanwezig zijn. Zoals de foto met de
jonge eenden zichtbaar is, grenst het terrein waarop
deze worden gehouden aan een vrij brede sloot.
Veelal werd een gedeelte ervan met gaas of ander
materiaal afgezet, waardoor de dieren over bad- en
drinkwater konden beschikken. Het broeden vond
vrijwel uitsluitend via de natuurlijke weg plaats.
Algemeen was de regel dat de eendenhouders de
eieren na half april, of begin mei, in de legnesten
lieten liggen, of deze dan wel van kunsteieren voor-
zag. Deze periode diende twee doelen: ten eerste
brachten de eieren vanaf begin mei minder op en
ten tweede, als de kuikens geboren waren was er
in de sloten voldoende te eten, waardoor ze vlot
konden opgroeien. Nadat er een legsel compleet
was broedde de eend deze zelf uit. Soms maakten
eenden een nest in de slootkant, of een andere,
vaak beschutte plek, om daar de eieren te leggen en
uit te broeden. Als de kuikens waren uitgekomen
trok moedereend met haar kroost de polder in.
Ook werden eenden met kuikens verderop in de
polder uitgezet, nadat ze van het merkteken van de
eigenaar waren voorzien. Niet zelden sneuvelden
er dieren, als gevolg van reigers, ratten en snoeken,
maar dit werd als bedrijfsongemak aangemerkt.
Doordat de jonge eenden zich in de natuur van
voedsel moesten voorzien, ontwikkelden ze zich tot
een sterke eend. Kosten voor het opfokken waren
er dus niet. Tegen de tijd dat de dieren nagenoeg
waren volgroeid, -en nog niet vliegen konden-,
werd door de eigenaar actie ondernomen om de
dieren thuis te halen.
Het ras komt in één kleurslag voor, en wel in
donkerwildkleur witborst, vroeger spreeuwkop
genoemd. Nooit is ernaar gestreefd om andere
kleuren naast deze kleurslag te houden. Eenden met
kleurafwijkingen werden niet aangehouden. Soms
werd er wel eens een wit kuiken geboren, maar deze
overleefde het in de vrije natuur zelden.
Ieder zijn eigen merkteken
Om er zeker van te zijn dat iedereen met zijn eigen
dieren thuis kwam, waren de eenden van een merk-
teken voorzien. Er bestond in die tijd al een over-
eenkomst tussen eendenhouders, welk merk aan
welke eigenaar was toegewezen. Deze merktekens
konden op twee manieren aangebracht worden. De
meest voorkomende was om een perforatie in de
teenvliezen aan te brengen. Ook werd wel aan het
lobje wat aan de zijkant van de buitentenen aan-
wezig is een inkerving gemaakt of een deel van de
achterteen weggenomen. Een andere, doch minder
diervriendelijke, was om een deel van de bovensna-
vel in te kerven, waarbij een deel van de bovenhuid
van de snavel werd verwijderd. Ook hierbij waren
meerdere mogelijkheden voor herkenning door de
eigenaar aanwezig.
Selecteren van de jonge eenden
Als de jonge eenden in de herfst waren opgehaald
vond er selectie plaats, welke dieren aangehouden
moesten worden. Allereerst werd gekeken of het
niet een kruising met de Wilde eend betrof. Niet
zelden was het een Wilde eendenwoerd die met
de Noord-Hollandse eend had gepaard. Deze
kruisingen vielen op, omdat bij de eenden teugel-
strepen voorkwamen en bij de woerden zag men
de groene kleur van de spiegels. Aanhouden van
deze kruisingen had geen zin, omdat ze een veel
lagere productie zouden hebben. Deze waren dus
niet geschikt om aangehouden te worden. Het voor
de fok inzetten van de halfwilde woerden had om
dezelfde reden geen zin. Bij het selecteren werd veel
aandacht aan het aantal witte grote vleugelpennen
geschonken. De voorkeur ging ernaar uit dat 4 tot
6 buitenste pennen wit moesten zijn. Dit opdat de
Schot heeft in de brede sloot een stuk afgezet,
waardoor de eenden altijd over schoon water
beschikken. In het verleden vond dit bij alle
kleinere eendenhouders algemeen plaats.
Fokdieren, nu nog bij elkaar, van Cor Schot.
Fokstel van Reijer Meijsen. De juiste snavelkleur
van de eenden is goed waarneembaar.
Cor Schot steekt met zijn bootje de brede sloot over om bij de dieren te komen.