Pagina 57 - untitled

Basis HTML versie

57
Roet in de staart
; Zwarte aanslag in de staart van
buffkleurige hanen en hennen.
Roetrug
; Een opeenhoping van pepering bij
patrijskleurige hennen, levert een vrijwel zwarte
rug op. Deze dieren zijn niet geschikt als tentoon-
stellingsdier. Ze worden wel gebruikt om goed
gekleurde en getekende patrijskleurige hanen te
fokken.
Romp
; Hoofddeel van het lichaam waaraan de
ledematen zitten.
Roodbont
; Is een kleur, die alleen bij de Friese
hoenders voorkomt. Het is een roodpel met aan
iedere veer een zo scherp mogelijk begrensde
witte punt.
Roodgeschouderd blauwzilverpatrijs
; Zie
roodgeschouderd zilverpatrijs. Alleen is bij deze
kleurslag het zwart vervangen door blauw. Het
blauw vererft ook intermediair.
Roodgeschouderd zilverpatrijs
; De hen heeft de-
zelfde tekening als de zilverpatrijs, alleen de borst-
kleur is intensiever zalmkleurig, terwijl vleugels, rug
en zadel donkerder tonen dan bij de zilverpatrijs.
De haan is gekleurd en getekend als de zilverpatrijs,
doch de rug en schouders zijn oranjegoudgeel en
het hals- en zadelbehang is geelachtig van kleur.
Roodgeschouderd wit
; De nieuwe benaming
is witpatrijs. De tekening is overeenkomstig de
patrijs, alleen is het zwart vervangen door wit of
roomwit. Bij de hen wordt er naar gestreefd het
gehele gevederte, behalve de hals en borst zo wit
mogelijk te fokken.
Rood in oren
; Bij rassen met witte oren moeten
de oorlellen zo wit mogelijk zijn. Het probleem is
echter dat hierin nogal eens wat rood aanwezig is.
Afhankelijk van de mate van het optreden van het
rood wordt deze fout bestraft.
Roodpatrijs
; De haan lijkt in kleur en tekening op
de patrijskleurige haan. De schachtstreeptekening
ontbreekt vrijwel geheel, terwijl de borst, romp en
dijen zichtbaar met bruin zijn doormengd, boven-
dien is de kleur meer roodbruin. Ook de hen lijkt
op de patrijskleurige hen, de schachtstreeptekening
in de hals is echter gebroken, terwijl de grondkleur
meer roodbruin is.
Deze kleur komt voor bij deWelsumers, in Neder-
land exclusief bij de Welsumers.
Roodpel
; Kleurslag, die alleen bij de Friese hoen-
ders voorkomt. Is gelijk getekend als de zilverpel,
alleen is het zilverwit vervangen door warm rood-
bruin bij de haan, bij de hen is de kleur meestal
iets lichter.
Rozenkam
; Stevige, lage kam, van boven bedekt
met kleine ronde verhevenheden. De vorm en stand
van de kamdoorn is rasgebonden. Een rozenkam
komt onder andere voor bij de Assendelfters,
Hollandse hoenders, Sebrights en Eikenburger
krielen.
Rudimentair
; In beginsel aanwezig of onvolkomen
ontwikkeld. Een voorbeeld is het ontbreken van de
kam bij de Kraaikop.
Rug
; De rug bevindt zich aan de bovenkant van
het lichaam tussen de hals en de staart. Bij de Ne-
derlandse rassen behoort deze altijd vlak te wezen.
De lengte en breedte bij ieder ras in de standaard
is aangegeven.
Rui
; Het verliezen en opnieuw krijgen van veren en
pootschubben. Normaliter verliezen de dieren in
het najaar de veren, welke worden vervangen door
een nieuw verenpakket. Tijdens de rui stoppen de
hennen met leggen. Gezonde vitale dieren ruien
meestal snel en verliezen vrijwel alle veren in een
korte tijd. Dieren, die in een minder goede conditie
zijn, sneuvelen vaak in de ruiperiode.
Ruigeel
; Geelachtige tint van het gevederte bij
witte dieren, die net zijn doorgeruid.
Fraaie rozenkam, de vorm wijzigt per ras. Zo
kan de kamdoorn recht zijn, zoals hier, of de
neklijn volgen.
Rozenkam met duidelijke sleuf in lengterichting.
Dit is een ernstige fout.
Rozenkam met een omgegroeide kamdoorn.
Dit is een uitsluitingsfout.
Een kip in de rui.