Pagina 15 - untitled

Basis HTML versie

15
Tekst en tekeningen: Warner Brink.
Ter voldoening aan het feit dat er een keer in één van onze Kleindier Magazines
een oproep stond, om eens een stukje over konijnen te schrijven, heb ik na lang
nadenken de pen ter hand genomen en zal ik trachten een redelijk zinnig stukje
over konijnen te schrijven. Ik begin bij de dwerghoenders, daarvan kennen we
twee soorten namelijk, de krielen die al van nature bestonden en de krielen die
wij zelf gecreëerd hebben. Bij de dwergkonijnen kennen we maar één soort
namelijk de kleurdwergen, die we door fokken en selecteren zelf gecreëerd
hebben. Het is dan ook geen spontane mutatie. In Fokkersbelangen van april
2004 heeft de heer Verhelst een artikel geschreven, waarin hij vier vormen van
pasgeboren dwergkonijnen omschrijft:
1. Een normaal dwergkonijn
2. Een heel klein dwergkonijn, dat na een paar dagen niet meer leeft (le-
thaalfactor)
3. Dieren van normale grootte, die de naam hebben gekregen van ‘MAX-
factor’. Deze hebben diverse afwijkingen en overleven het ook niet.
4. Een dier van normale grootte dat door de heer Verhelst 'Jumbo' wordt
genoemd. Ook een dwergkonijn met afwijkingen, die niet in leven blijft.
Zoals u ziet blijven er niet veel goede en gezonde dwergkonijnen in leven,
dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een Vlaamse reus, die wel nestjes van 10
stuks kan krijgen en grootbrengen. Het aantal jongen dat een dwergkonijn
krijgt, is ook al niet groot, zeker geen nestjes van 10 stuks. Zelf heb ik ook
dwergkonijnen en ik ben wel blij dat ik niet zoveel jongen krijg, want waar
moet ik met al die jonge dieren naar toe. Gelukkig zijn er ook andere, echte
kleurdwergenfokkers, die willen natuurlijk veel jongen hebben om te kunnen
selecteren voor de tentoonstellingen. Voor wat betreft de hiervoor genoemde
afwijkingen en eventuele andere afwijkingen, denk ik dat het merendeel daar-
van wordt veroorzaakt door inteelt. Ik zal proberen om op een eenvoudige
manier de vererving van dwergkonijnen op papier te zetten. Ik weet dat er
V
ISIE
OP
HET
FENOMEEN
DWERGKONIJN
internationale symbolen zijn, maar om het eenvoudig te houden, gebruik ik
hier eigen symbolen en voor het gemak teken ik er een eenvoudig konijn bij.
Onder andere het dwergkonijn krijgt de helft van de genen (factoren) van de
vader (ram) en de helft van de moeder (voedster) en is tevens genetisch een
halfgroot konijn en een half dwergkonijn.
Als we twee dwergkonijnen aan elkaar paren en de genen (waardoor dwerg-
konijnen ontstaan), van de vader en van de moeder bij elkaar zouden komen,
dan zouden we een super klein dwergkonijntje krijgen. Helaas rijdt de natuur
ons hier in de wielen, want als een konijn de dwergfactor van de vader en van
de moeder zou krijgen, is het niet levensvatbaar (lethaalfactor) zie nr. 2 van
de jonge konijnen van de heer Verhelst. Veel ervaring met het fokken van
kleurdwergen heb ik nog niet, maar ik denk dat, genetisch gezien, er maar
drie soorten jonge dwergen zijn, in plaats van vier, zoals de heer Verhelst
omschrijft. In principe maakt het niet zo veel uit, de meesten gaan toch dood.
Ik heb geen ervaring met de konijnen die de MAX-factor worden genoemd
en evenmin met de Jumbo's.
Wel heb ik enige malen ervaring gehad met een nestje van slechts één jong, dat
ook nog dood geboren werd en een keer één jong, zo groot als een normaal
jong konijn. De voedster had daar erg veel moeite mee en wierp pas op de 32e
dag. Ook heb ik nog een keer de volgende ervaring gehad: een voedster kreeg
twee normale jongen in het nest en verder zag ik niets.
Toen ik later weer keek, zag ik een jong half uit het lichaam van de voedster
hangen. Na wat lichte druk uitgeoefend te hebben werd het jong geboren
(dood) en veel te groot. Kort hierna werden nog twee jongen geboren, wel van
normale grootte, maar helaas dood. Ik denk dat de jongen die na zo'n groot
jong worden geboren, dood ter wereld komen, omdat ze te lang in het moe-
derlichaam zitten. Hun geboorte wordt dan tegengehouden door de langdurige
geboorte van het grote jong.
Tekening 1
Tekening 2