Pagina 10 - 06_cover.indd

Basis HTML versie

430
Al steunend op mijn knieën tijdens het bestu-
deren van een Lachduif op één van de shows
werd ik plotseling opgeschrikt door een zeer
vriendelijk stemmetje. Meneer mag ik u wat
vragen? Natuurlijk mocht ze dat. Al wijzend
naar de duif die zojuist van mijn belangstelling
had genoten, stelde ze haar vraag. Zijn dit nu
dezelfde duifjes die wij vroeger ook hadden,
ze zaten dan wel in zo’n prachtige kooi. Het
waren van die witte; opa noemde dat West In-
dische duifjes. Opa zelf had ‘bruine’, dat waren
zogenaamde Oost Indische, ze konden prachtig
koeren. Opa had de kooi boven de deur op de
deel hangen.......... De toon was gezet en een
zeer gezellig gesprek volgde daarop. Al pra-
tend liepen we zo langs de kooien; dit zijn dus
dezelfde duifjes die opa en ik vroeger hadden,
mijmerde ze. Ja mevrouw, de tijd heeft ook bij
de Lachduif niet stil gestaan.
Een korte inleiding om even duidelijk te maken
dat er echt wel wat veranderd is in de periode tus-
sen opa’s duifjes en de huidige Lachduif, vooral
wat betreft de kleuren. Wat betreft het algemeen
voorkomen van het oorspronkelijke model is er
niets veranderd, zelfs een volslagen leek herkend
de Lachduif, ook al heeft de duif een totaal andere
kleur dan bekend in zijn algemeenheid. Ook in
de jaren zestig bezat ik al Lachduiven, dus ook de
‘bruine’ en de ‘witte’. Elk jaar weer volop jongen,
helaas, je kon ze aan de straatstenen niet kwijt. Jan,
je moet een bruine paren aan een witte, volgens
mij vallen er dan bonte uit! Dit was een gegeven
van een buurman, die er, naar later bleek, totaal
geen verstand van had. De ‘bonte’ zijn er later wel
gekomen. Deze zaten toevallig bij andere duiven
in een zogenaamde importmand, ontdekt bij een
im- en exporteur van dieren in Nijverdal. Op
zekere dag ontdekte mijn schoolvriendje en ik ook
‘Lachduiven’ die ergens in een boom zaten. Dat
werd dus jacht. Elke middag na schooltijd gingen we
met schepnet en stiphengel (vishengel met aan het
uiteinde een dun takje volgesmeerd met een plak-
kerig goedje, een zogenaamde lijmgarde) op pad.
Deze lijmgarde probeerden we dan op de rug van
de duif te duwen (stippen). Nooit geen nieuwe kleur
van de Lachduif gevangen. Totdat we overgingen
tot het gebruik van een treknet. Een op een deurtje
gelijkend houten frame bespannen met gaas, op de
grond gelegd, aan de ene kant een stokje geplaatst,
met aan de onderkant van het stokje een zeer lang
touw. Wat voer gestrooid onder het schuinstaande
frame en nu maar wachten. Nog diezelfde week
hadden we een kooi vol mussen, vinken, sijzen,
maar ook volop duiven. U begrijpt het al, dit wa-
ren naar later bleek Turkse Tortels. En schuw dat
die krengen waren, maar we hebben er wel mee
gekweekt. Volop jongen in een nieuwe kleurslag,
maar we wisten niet wat we ermee aan moesten. Ik
kan me de periode nog goed herinneren dat mijn
schoolvriendje en ik elke zaterdagmiddag naar de
markt gingen en bedelde om de sinaasappelkistjes.
Van twee van deze kistjes maakten we dan weer
een duivenhokje. Totdat mijn vader voor mij een
echt duivenhok in elkaar spijkerde, het begin van
mijn sierduiven loopbaan. De bonte Lachduiven
zijn enkele jaren later nog weer terug gekomen,
waarmee zeer lang, maar toch op bescheiden
schaal is gekweekt. Voornamelijk om er de witte
zwartogen uit te kweken en dat bijna veertig jaar
lang. Ook bij mij heeft de tijd natuurlijk niet stil
gestaan. De periode sierduiven is voorbij en heeft
plaats moeten maken voor het zeer serieus bezig
zijn met de Lachduif.
Het was een verslag van Hein van Grouw in Avi-
cultura dat mij deed besluiten om contact te zoeken
met deze persoon. Dit was dus het nieuwe begin
van wat de Lachduif nu is. Veel, heel veel keren zijn
Hein en ik bij elkaar op bezoek geweest. Heel veel
is er gepraat over wat er fout en goed was bij de
Lachduif, vooral wat er verbeterdmoest worden. Zo
bezochten we diverse shows binnen de vogelbond,
buitenlandse contacten werden gelegd. Alles werd
in een genetische volgorde gemanoeuvreerd. Een
boekje werd uitgebracht. Een concept standaard
ontstond. Vele briefwisselingen vonden plaats.
Kritiek was ons ook niet vreemd meer. Maar die
vele zweetdruppels hebben wel geleid tot een
totaal vernieuwde standaard uitgave bij de bond
van vogelliefhebbers. Tussendoor werd er nog
veel geëxposeerd met de Lachduiven. Vooral de
nieuwe kleurslagen trokken de aandacht van het
publiek, de latere nieuwe fokkers. In 1993 kwam ik
als eerste Lachduivenkweker in het bezit van grijze
en kleurkop Lachduiven, via ene Wim Boerkamp,
rechtstreeks uit Italië en dat ook nog met kisten
vol naar Nijverdal gebracht. Dezelfde Italiaanse
fokkers zijn nog enkele keren tijdens vakantieom-
zwervingen bij mij op het hok geweest. Nazaten van
hun eigen grijze dieren gingen mee terug, ze waren
beter van kwaliteit. Het kan verkeren. Hadden we
binnen de vogelbond op shows nog wel eens tus-
sen de 10 en 20 ingezonden duiven, nu anno 2005
zijn er al jongdieren keuringen binnen de NHDB
afdeling siervogels van ruim 100 duiven. U zegt het
Lachduif
Turkse tortels, er is verschil met de Lachduif, en dit moet ook zo blijven.